landrottende ver weg van zee
bevind me in druipsteen en puin
stuk geslagen als waterdroppel op een kei
veel gebroken balken en splinters in schuim
al aanspoelende met ’t zwarte zeewater
wie houdt mij onder de duim
ik zal nederig zijn en gretig ook
verlang ik naar meer schepen
om tot wrakken te kunnen slaan
met meer tentakels dan er meters zijn
en genoeg vlees om op te kaken
want ik heb een onstilbare honger
mijn maag zo groot als de kosmos
waarin de vergetelheid heerst – en
de plooien van kwallenrokken
als catacomben voor voortvluchtigen zijn
’t gif eenmaal geïnjecteerd doet zijn werk
laat je denken dat ik nooit bestaan heb
gelijk ’t ontwaken uit een boze droom
waarin alles in duizenden loopt
ben ik ook eens gestoken
door een schaduwkraken
