fanfare des onheils
het dampige oerwoud lekt
schaduwen op grondnerven
een sluimerroffel verstrekt
geestig zo ze wilden sterven
binnen de stengels klinken ze
de enge tonen, jammerende weeklanken
’t volume der muziek in wisselval
met ’t ploppen van een statische ruis
er worden hijgen en zuchten gehoord
de atmosfeer is er bezwangerd van
’t geeft de vals lachende gruwels een kick
alsof deze verdoemenis niet beter worden kan
daar komen ze tevoorschijn
daar verdwijnen ze weder
er spookt hier een fanfare des onheils
en wie ze hoort of ziet
komt door ongevallen niet meer weder
althans zo ’t geschied
